We praten veel. We bedenken veel. We verklaren veel. Zo heb ik zelf ook geleerd om door het leven te bewegen.
Maar echt aanwezig zijn? Volledig in mijn lichaam, in mijn hele zijn? Dat lukt me lang niet altijd.
Ondanks dat ik werk met lichaamsbewustzijn en ook anderen daarin begeleid, merk ik hoe snel ik weer naar mijn hoofd kan schieten. Naar analyseren, formuleren, bedenken wat ik ga zeggen. Soms zelfs terwijl ik voor een groep sta. Dan praat ik… maar voel ik niet volledig wat er in mij leeft; wat er echt gezegd mag worden.
Gisteren had ik een moment waarin het weer even extra voelbaar was hoe groot het verschil is:
als ik iets doe vanuit mijn hoofd, klinkt het vaak prima. Kloppend. Duidelijk. Veilig.
Maar zodra woorden echt vanuit mijn lichaam komen, verandert er iets. Het wordt trager. Eerlijker. Minder gecontroleerd. En juist daar ontstaat kracht.
Precies dat maakt het ook spannend.
Belichaamde aanwezigheid vraagt van mij dat ik de controle loslaat.
Dat ik niet alleen leun op wat ik heb voorbereid, maar meebeweeg met wat zich op dat moment aandient.
Dat ik durf te voelen wat er is, ook als dat ongemakkelijk, onzeker of nog niet helder is.
En dus schiet ik, net als zovelen, soms gewoon weer terug naar denken. Naar analyseren. Naar ‘het goed willen doen’.Maar dat voel je. En de ander voelt dat ook.
In gesprekken, in relaties, in mijn werk, op een podium: aanwezigheid laat zich niet faken.

Misschien begint het met een simpele, eerlijke vraag. Niet achteraf, maar midden op de dag, terwijl je praat, werkt, beslist of reageert:
Waar zit ik nu? In mijn hoofd of in mijn lichaam?
En als ik merk dat ik weg ben? Even vertragen.
Weer voelen wat er al is.
Ademen.
Terugzakken.
Daar ontstaat contact. Eerst met mezelf. En van daaruit vanzelf met de ander.
Niet perfect.
Wel echt.
